Programmatoelichting Zomerconcert 2006

Tre Madrigali Italiani - Norbert Rosseau

Norbert Rosseau (Gent 1907 - Gent 1975) verbleef in Italië van 1915 tot 1932.
Na muziekstudies te Genua, Palermo en aan de Sancta Cecilia te Rome, vervolmaakte hij zich in de compositie bij Ottorino Respighi. Zijn belangstelling ging uit naar zowel traditionele compositietechnieken als naar concrete en elektronische muziek. Naast zuiver instrumentale werken (zoals het symfonische gedicht H2O en de Symfonie) en vocaalinstrumentale werken (zoals het oratorium Inferno, de cantate Zeepbellen en de liedcyclus L'eau passe) schreef Rosseau ook een groot aantal a capella koorwerken; hier dienen vooral vermeld te worden de Tre Madrigali Italiani, het Stabat Mater (in 1957 bekroond met de Prijs van de provincie Oost-Vlaanderen) en La messe des morts à Is.
De Tre Madrigali Italiani zijn jeugdwerken van Norbert Rosseau. Het opus 17, Felicità d'usignolo, is gecomponeerd op poëzie van Guarini; van de beide andere madrigalen, opus 18 en 19, is de tekstdichter Petrarca. De nauwe band tussen tekst en muziek verwijst naar de zestiende-eeuwse Italiaanse madrigaalstijl; sommige tekstgedeelten worden door de muziek als het ware realistisch geïllustreerd (madrigalismen). Verder besteedt Rosseau veel zorg aan de imitatorische polyfonie van deze madrigalen; elke stem krijgt hierbij een uiterst bevallige melodische tekening. Enkele homofone passages contrasteren met deze overheersend polyfone stijl en vestigen zo de aandacht van de toehoorder op poëtisch geladen woorden uit de tekst. Zowel de teksten als de muzikale verklanking zijn pareltjes van fijne en innige poëzie.

Prière - Ton de Leeuw

De composities van Ton de Leeuw (1926-1996) vormen een blauwdruk van de eeuwigheid. Zij wekken vaak de indruk uit het Niets te ontstaan en in het Niets weer te verdwijnen, alsof ze schijnbaar willekeurig onttrokken zijn aan een muziek die altijd Is. Wie iets van het hoe en waarom hiervan wil begrijpen, kan geenszins volstaan met de noten van De Leeuw op de muziekanalytische ontleedbank te leggen. De luisteraar is genoodzaakt te rade te gaan bij de wereldbeschouwing van De Leeuw, bij zijn diep geworteld besef dat kunst, levensaard en filosofie van het Westen zouden moeten samenvloeien met die van het Oosten. Ton de Leeuw relateerde zijn composities bij voortduring aan de filosofie, met name aan de Oosterse. In zijn wereldbeschouwing draaide alles om de tegenstelling Oost-West, voor hem in zekere zin een tegenstelling tussen geest en materie. Met lede ogen signaleerde hij in beide werelden een steeds ingrijpender uitholling en vervlakking van de cultuur. Om de confrontatie tussen Oost en West desondanks vruchtbaar te laten zijn, accentueerde hij uiteindelijk steeds minder de verschillen, maar juist de overeenkomsten. In zijn muziek probeerde De Leeuw een soort van synthese te bewerkstelligen tussen beide werelden. Want Ton de Leeuw schreef zonder enige twijfel Westerse muziek, maar hij zette daarbij het venster wijd open voor Oosterse benaderingswijzen en inzichten. Voor zangstem componeerde De Leeuw circa dertig stukken: liederen en koorwerken -- al dan niet voorzien van een instrumentale steunkleur. De teksten die De Leeuw verklankte vertonen een brede waaier van onderwerpen en historische perioden en zijn geschreven door tekstdichters uit verschillende eeuwen en verschillende culturen. Een kleine greep uit de namen volstaat om dit te illustreren: Erasmus, Kabir, Federico Garcia Lorca, Gérard de Nerval, Paul van Ostaijen, Reiner Maria Rilke. Natuurlijk diepte Ton de Leeuw zijn teksten ook op uit de Koran, Bijbel en tal van Oosterse bronnen. De tekst van Prière voor gemengd koor (1954) is ontleend aan de Koran; zowel harmonisch als melodisch vormen evenwel het Gregoriaans en de Westerse renaissance-koorzang de oriëntatiepunten. Dat wil overigens geenszins zeggen dat De Leeuw daarmee een soort neo-Renaissancestijl realiseert. Integendeel, in een vrij spirituele beïnvloeding zet hij deze inspiratiebronnen om in een eigentijds idioom. De lofprijzingen en de smeekbeden voegen zich steeds weer rond de uitroep "Seigneur", de ene keer homofoon, de volgende maal meer canonisch. (Emile Wennekes)

Fantasie voor fluit nr. 5 en 6 - Georg Philipp Telemann

G.P. Telemann werd geboren in 1681 te Maagdenburg. Zijn werk is omvangrijker dan dat van Bach en Händel samen, maar het meeste daarvan is helaas nu wat in de vergetelheid geraakt. Zo schreef hij o.a. 21 opera's, 12 jaargangen cantates en 44 Passionen. In 1730 gaf hij in eigen beheer een aantal stukken uit die hij 'Fantasien' noemde. Fantasien stonden voor muziekstukken voor solo-instrument waarbij de componist zich een zekere vrijheid kon permitteren en die in cycli van 12 waren ingedeeld. Zo waren er 12 Fantasien voor fluit, 36 voor klavecimbel, 12 voor viool en 12 voor viola da gamba. De Fantasien voor fluit dateren uit 1732-1733. Tille speelt vanavond de 5e en 6e Fantasie uit deze cyclus.

Sieben Lieder, opus 62 - Johannes Brahms

Tijdens de negentiende eeuw kwamen niet alleen de grote muziekvormen zoals symfonie en opera volledig tot ontwikkeling, maar ook de intiemere vorm van liedzang. De universele geest van de romantiek omhelsde zowel het harmonische raffinement van Wagners Tristan als de eenvoudige melodielijn van het volkslied. Het natuurgevoel, door Jean Jacques Rousseau literair tot uiting gebracht, vond klank in Goethes gedichten, werd gemeengoed, en stroomde door tot de gevoels- en gedachtewereld van het Duitse volk. De imaginaire wereld van het eenvoudig leven, met zijn bossen, weiden, bergen, idyllische dorpen en oeroude kastelen bevrijdde de mensen van de stijve vormen van de conventionele samenleving. Het romantische natuurgevoel verbond zich met een nieuw besef van de Duitse nationale aard, dat zich uitte in liefde voor het geboorteland, de eigen taal en de eigen volksmelodie. Ook Johannes Brahms (1833-1897) had een grote liefde voor het volkslied. In zijn Opus 62 vinden we gedichten terug uit de verzameling "Des Knaben Wunderhorn", die Clemens Brentano en Achim von Arnim in 1808 publiceerden. "Des Knaben Wunderhorn" werd later voor ons bekend door de liederen van Gustav Mahler. Brahms putte ook uit de bundel "Der Jungbrunnen" van Paul Heyse. De gedichten hebben allemaal met elkaar gemeen dat ze handelen over het ontkiemen, het beleven en het verlies van liefde. Het eerste lied toont hoe snel het ontkiemen en het wegsterven elkaar opvolgen. Als we "Rosmarin" als mottogedicht van de cyclus beschouwen, dan kunnen we vanaf "Von alten Liebesliedern" een emotionele rode draad volgen, met als rustgevend middelpunt het bekende koorlied "Waldesnacht".

Syrinx voor solo-fluit - Claude Debussy

Syrinx, in 1913 geschreven door Claude Debussy (1862-1918) voor solo-fluit, wordt beschouwd als een onontbeerlijk onderdeel van het repertoire van elke fluitist. Als mijlpaal in de ontwikkeling van muziek voor solo-fluit biedt het werk de uitvoerder alle ruimte voor persoonlijke interpretatie en inbreng van gevoel. Syrinx was oorspronkelijk de muziek voor het toneelstuk "Psyché" van Gabriel Mourey, de onzichtbare fluitist zou achter het toneel spelen. Het toneelstuk bleef echter onvoltooid en het werk van Debussy mocht een eigen leven leiden. De nimf Syrinx was een volgeling van Artemis, bekend omwille van haar kuisheid. Achtervolgd door de Griekse god Pan, vluchtte Syrinx naar de oever van een rivier en smeekte de waternimfen om hulp. Ze veranderden haar in riet. Pan kwam hijgend aan, maar mocht enkel zijn frustratie over de holle rietstengels uitblazen. Zo werd in één keer de panfluit uitgevonden!

Caliban voor solo-fluit - Andrew Wise

Het monster uit Shakespeare's "De Storm" heet Caliban. Hij komt mismaakt ter wereld en wordt door Prospero in de wouden gevonden. Een vreemdsoortig wezen, een wolvenkind, nog minder menselijk dan een aap. Prospero neemt hem mee naar zijn spelonk en palmt hem in. Hij probeert hem onder meer taal te leren, hem bij te brengen wat juist en goed is. Prospero zou, naar eigen zeggen, heel lief geweest zijn tegen hem... mocht Caliban geluisterd hebben. Maar hij is nu eenmaal van nature niet zo geschapen dat hij iets goeds of nuttigs kan uitvoeren. Dus moet hij voor de oude intellectueel de vuilste zaakjes opknappen, als slaaf hout halen, terwijl hij geplaagd wordt door Ariël, Prospero's huisknecht, en de verleiding van Miranda, zijn dochter, niet kan weerstaan. Voor alcohol en met name muziek blijkt Caliban ook gevoelig...

Be not afeard; the isle is full of noises,
Sounds, and sweet airs, that give delight, and hurt not.
Sometimes a thousand twangling instruments
Will hum about mine ears; and sometimes voices,
That, if I then had wak'd after long sleep,
Will make me sleep again; and then in dreaming,
The clouds, methought, would open, and shew riches
Ready to drop upon me; that, when I wak'd,
I cry'd to dream again.

Niet bang zijn. Vol geluiden is dit eiland,
geneurie, zoete klanken die verrukken
en niemand pijn doen. Tinkelende instrumenten
- wel duizend - ruisen soms rondom mijn oor.
Soms stemmen die me, zelfs als ik ontwaakte
na lange slaap, opnieuw zouden doen slapen.
Dan weer, al dromend, leek het of de wolken
zich openden om rijkdommen te tonen
die zó op mij neer wilden dalen -- dan
ontwaakte ik: 'k jankte om door te mogen dromen. (Vertaling Gerrit Komrij)

De driedelige compositie Caliban voor solo-fluit vindt zijn aanleiding in dit gegeven. We treffen het monster in diepe slaap. Ariel wekt hem met verleidelijk fluitspel. Als Ariel hem eenmaal in z'n macht heeft, plaagt hij hem door een dans te spelen die Caliban niet kan weerstaan; hij móet er op dansen. Hij laat het monster maar één keer rusten om hem dan tot nog wildere en uitputtendere bewegingen te dwingen. Caliban valt halfdood neer. De muziek is choreografisch van aard.

Three Folk Songs - Jonathan Rathbone

Three Folk Songs: O the Oak and the Ash, Swing Low, Sweet Chariot en Nine Hundred Miles.
Deze bekoorlijke bewerkingen voor vierstemmig gemengd koor zijn van de hand van de Brit Jonathan Rathbone. Hij studeerde aan de universiteit van Cambridge en vervolgens aan de Royal Academy of Music te Londen. Eenmaal afgestudeerd werkte Rathbone als free-lance zanger in het Londense circuit tot een vacature vrijkwam in het beroemde vocaal ensemble The Swingle Singers. Sterker nog, men zocht een vervanger voor Ward Swingle die de groep opgericht had. De taak die Rathbone op zich nam was omvangrijk, hij moest niet alleen in het ensemble zingen, net als zijn voorganger, maar ook de nieuwe arrangementen maken, de repetities leiden, de tournees organiseren... Deze drie arrangementen getuigen van zijn volmaakte beheersing van het vak. Harmonische en ritmische vindingrijkheid gaan samen met het fenomeen van "scat-singing" en verbluffen door hun eenvoud en vanzelfsprekendheid.

It was a lover and his lass - Ward Swingle

De Amerikaanse pianist en zanger Ward Swingle stichtte het ensemble "The Swingle Singers" in de jaren zestig. Een groep bevriende liefhebbers paste de technieken van jazz improvisatie toe op de instrumentale muziek van J.S. Bach. De groep verhuisde in de jaren zeventig naar Londen en bestaat nu nog steeds. In de loop van hun veertigjarig bestaan werden zowel de zangers als het repertoire en de vocale technieken steeds vernieuwd. De Italiaanse componist Lucian Berio schreef zijn "Sinfonia" speciaal voor de Swingle Singers en nu nog is de groep de enige die dit werk mag uitvoeren. Over de technieken van "scat singing" schrijft Ward Swingle het volgende: "The swingle singers began as a vocal exercise by a group of freelance session singers working in Paris in the early sixties. Most of our studio singing was limited to background vocals - oo's and ah's behind people like Charles Asnavour and Edith Piaf. Sometimes Michel Legrand, who was just beginning to make a name for himself, gave us some fine jazz vocal things to do. But Michel went off the Hollywood to compose film scores, and with the arrival of rock and pop music the vocal arrangements became boringly simple; we began looking around for meatier musical nourishment.
I got out Bach's "Well-Tempered Clavichord" and we began reading through the preludes and fugues just to see if they were singable. We soon found, like many before us, that we were swinging Bach's music quite naturally. Since there were no words, we improvised a kind of scat singing a la Louis Armstrong, which we later reduced to simple doo's and boo's, dah's and bah's so as not to get in the way of Bach's counterpoint. We took advantage of two characteristics common to both jazz and baroque music: rhythm and improvisation. Jazz and baroque styles both require a good steady tempo, and most of the great baroque composers were organists who considered improvisation as part of their musical baggage - just as a jazz musician does today."
"It was a lover and his lass" is een toonzetting van het lyrisch gedicht van Shakespeare uit het toneelstuk "As you like it".

Andrew Wise, dirigent